Duits Basis · Les 5.1 · Vrije tijd
Na deze les vertel je in een paar zinnen wat je gedaan hebt, wanneer en waar. Je volgt het verhaal van een ander over het weekend en reageert erop.
HerhaalStap 1
Drie vragen over module 4. Probeer het eerst zelf.
LeesStap 2
Het is maandagochtend. Bij de bakker kom je Frau Brandt tegen. Ze vraagt hoe je weekend was. Jij vertelt over je wandeling met Jonas in het Zwarte Woud. Zij vertelt over het bezoek van haar kleinkinderen.
Je zegt Sie tegen Frau Brandt, zoals altijd.
LuisterStap 3
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| gestern | gisteren |
| vorgestern | eergisteren |
| der Ausflug, die Ausflüge | het uitstapje, de uitstapjes |
| der Wald, die Wälder | het bos, de bossen |
| der Berg, die Berge | de berg, de bergen |
| der See, die Seen | het meer, de meren |
| die Aussicht, die Aussichten | het uitzicht, de uitzichten |
| das Foto, die Fotos | de foto, de foto's |
| spielen, er spielt, hat gespielt | spelen, hij speelt, heeft gespeeld |
| backen, er backt, hat gebacken | bakken, hij bakt, heeft gebakken |
| müde | moe |
| lange | lang (een lange tijd) |
LeesStap 4
Sam zegt: Am Sonntag habe ich einen Ausflug gemacht. Over wat voorbij is, praat je in het Duits meestal zo: haben of sein op de tweede plek, het voltooid deelwoord helemaal achteraan. Precies zoals "ik heb ... gemaakt".
| hele werkwoord | voltooid deelwoord | zo gaat het |
|---|---|---|
| machen | gemacht | ge- + stam + -t |
| spielen | gespielt | ge- + stam + -t |
| kaufen | gekauft | ge- + stam + -t |
| einkaufen | eingekauft | ge- komt tussen de twee delen |
| besuchen | besucht | met be-, ver- of -ieren: geen ge- |
| essen | gegessen | onregelmatig: leer het mee |
| fahren | gefahren | onregelmatig: leer het mee |
| backen | gebacken | onregelmatig: leer het mee |
Het Nederlands zegt "gemaakt" met een -t of een -d; het Duits altijd met een -t: gemacht, gespielt.
Meestal haben: Ich habe gekocht. Maar ga je van de ene plek naar de andere, dan sein: Ich bin gefahren, ich bin gegangen, ich bin gekommen.
In het Nederlands zeg je "ik heb gewandeld". In het Duits is wandern een beweging van plek naar plek, dus: Ich bin gewandert. Net zo: Sind Sie lange gewandert?
Wie war Ihr Wochenende? Die Aussicht war toll. Ich war müde. Van sein gebruik je in de verleden tijd bijna altijd war, niet ich bin gewesen. Leer war als vaste vorm: ich war, du warst, er war, wir waren, Sie waren.
gestern (gisteren), vorgestern (eergisteren), am Wochenende (in het weekend), am Sonntag (zondag), abends ('s avonds). Staat de tijd vooraan, dan komt habe of bin op plek twee: Gestern habe ich gekocht.
OefenStap 5
Vul het voltooid deelwoord in. Het hele werkwoord staat erachter.
Vul habe, bin of war in.
Denk aan het gesprek. Klopt het?
HerhaalStap 6
Een week nadat je deze les op Begrepen hebt gezet, staan hier 3 snelle vragen voor je klaar.

48 lessen · 8 modules · A1 · A2
Je stelt je voor, doet boodschappen, bestelt in een café en vraagt de weg, in het Duits zoals je het in Duitsland hoort.
Inclusief btw · eenmalig · levenslang toegang
Je hoeft geen account te maken. Na het betalen krijg je een mail waarmee je meteen kunt beginnen.
Voor de btw op je factuur. De prijs blijft gelijk.
Toch niet wat je zocht? Vraag binnen 14 dagen je geld terug.
Je betaalt via Mollie met iDEAL | Wero, Bancontact of een overboeking.
Heb je al een account? Dan kun je ook eerst inloggen.
Met je bestelling ga je akkoord met de algemene voorwaarden. Lees ook ons privacybeleid.
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Wie war Ihr Wochenende? | Hoe was uw weekend? |
| Das klingt schön! | Dat klinkt leuk! |
| am Wochenende | in het weekend |
Jullie staan in de rij bij de bakker. Frau Brandt begint. De zinnen van Sam hoor je in een vrouwen- of een mannenstem: kies zelf.
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Wohin? | Waarheen? |
| das Wetter | het weer. Dat leer je in les 5.3. |
| Am Sonntag haben mich ... besucht. | Zondag kwamen ... bij mij op bezoek. Mich is mij; dat leer je in les 5.2. |
| im Park | in het park |
Luister naar elke zin en zeg hem hardop na.
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Guten Morgen, Frau Brandt! Sehr schön, danke. Am Sonntag habe ich einen Ausflug gemacht. | Goedemorgen, mevrouw Brandt! Heel leuk, dank u. Zondag heb ik een uitstapje gemaakt. |
| In den Schwarzwald. Ich bin mit Jonas gewandert. | Naar het Zwarte Woud. Ik heb met Jonas gewandeld. |
| Gut! Die Aussicht war toll. Wir haben viele Fotos gemacht. | Goed! Het uitzicht was geweldig. We hebben veel foto's gemaakt. |
| Ja, fünf Stunden! Abends war ich sehr müde. Und Sie? Was haben Sie am Wochenende gemacht? | Ja, vijf uur! 's Avonds was ik heel moe. En u? Wat heeft u in het weekend gedaan? |
| Das klingt schön! | Dat klinkt leuk! |
| Gestern habe ich eingekauft und gekocht. | Gisteren heb ik boodschappen gedaan en gekookt. |
| Am Samstag bin ich nach Basel gefahren. | Zaterdag ben ik naar Bazel gegaan. |
| Wie war dein Wochenende? | Hoe was jouw weekend? |
4 vragen
Sam heeft met Jonas gewandeld.
Ze hebben twee uur gewandeld.
De kleinkinderen van Frau Brandt kwamen op bezoek.
Frau Brandt heeft met de kinderen gekookt.
1 / 5: Frau Brandt vraagt: Wie war Ihr Wochenende? Het was leuk.
Typ het zelf. Daarna hoor je het voorbeeld en vergelijk je.