Duits Basis · Les 1.1 · Kennismaken
Na deze les kun je iemand begroeten en gedag zeggen, op elk moment van de dag. Je zegt hoe je heet en vraagt hoe de ander heet, met Sie of met du.
HerhaalStap 1
Dit is de eerste les. Een paar Duitse woorden ken je misschien al, van een vakantie of van de televisie. Probeer het eerst zelf.
LeesStap 2
Je komt aan in Freiburg. Je huurt er een paar maanden een appartement. Je belt aan. De verhuurder doet open: Thomas Hoffmann. Hij geeft je de sleutel.
Op de trap kom je daarna je buurvrouw tegen, Monika Brandt. Ze is ouder dan jij. 's Avonds, als je de deur uit gaat, zie je haar weer.
Herr Hoffmann en Frau Brandt zeggen Sie tegen je. Jij zegt ook Sie tegen hen. Zo spreek je in Duitsland iemand aan die je niet kent, of die je net hebt leren kennen.
In het gesprek heet je Sam. Zelf zeg je natuurlijk je eigen naam.
LuisterStap 3
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Guten Morgen | goedemorgen |
| Guten Tag | goedendag, goedemiddag |
| Guten Abend | goedenavond |
| Hallo | hallo, hoi |
| Auf Wiedersehen | tot ziens |
| Tschüs | doei, dag |
| danke | dank je, dank u |
| bitte | alsjeblieft; graag gedaan |
| Entschuldigung | sorry, pardon |
| der Herr, die Herren | meneer; de heer, de heren |
| die Frau, die Frauen | mevrouw; de vrouw, de vrouwen |
| heißen | heten |
| sein, er ist | zijn, hij is |
| der Schlüssel, die Schlüssel | de sleutel, de sleutels |
| die Nachbarin, die Nachbarinnen | de buurvrouw, de buurvrouwen |
LeesStap 4
Herr Hoffmann vraagt: Sind Sie Sam? Jij antwoordt: Ich bin Sam. Dat is het werkwoord sein, zijn.
| Nederlands | Duits |
|---|---|
| ik ben | ich bin |
| jij bent | du bist |
| hij is, zij is | er ist, sie ist |
| u bent | Sie sind |
In het Nederlands zeg je "u bent" of "u is". In het Duits gaat Sie altijd met de vorm van het meervoud: Sie sind, nooit Sie ist. Zo ook bij heißen: Wie heißen Sie? Sie schrijf je altijd met een hoofdletter, ook midden in een zin.
| Sie | du | |
|---|---|---|
| tegen wie | iemand die je niet kent, de verhuurder, een buurvrouw die ouder is dan jij | een vriend, familie, een kind, iemand op je taalcursus |
| groeten | Guten Tag! | Hallo! |
| hoe heet je? | Wie heißen Sie? | Wie heißt du? |
| hoe gaat het? | Wie geht es Ihnen? | Wie geht's? |
| gedag zeggen | Auf Wiedersehen! | Tschüs! |
Twijfel je? Begin met Sie. Zegt de ander du, dan mag jij dat ook. Nederlanders zeggen vaak te snel du.
Wie heißen Sie? betekent: hoe heet u? Het Duitse wie is "hoe". Hoe je "wie" zegt, zie je in les 1.2.
In het noorden van Duitsland hoor je vaak Moin, in het zuiden Grüß Gott. Met Guten Tag zit je overal goed.
OefenStap 5
Kies wat je zegt.
Vul de goede vorm van sein in.
HerhaalStap 6
Een week nadat je deze les op Begrepen hebt gezet, staan hier 3 snelle vragen voor je klaar.

48 lessen · 8 modules · A1 · A2
Je stelt je voor, doet boodschappen, bestelt in een café en vraagt de weg, in het Duits zoals je het in Duitsland hoort.
Inclusief btw · eenmalig · levenslang toegang
Je hoeft geen account te maken. Na het betalen krijg je een mail waarmee je meteen kunt beginnen.
Voor de btw op je factuur. De prijs blijft gelijk.
Toch niet wat je zocht? Vraag binnen 14 dagen je geld terug.
Je betaalt via Mollie met iDEAL | Wero, Bancontact of een overboeking.
Heb je al een account? Dan kun je ook eerst inloggen.
Met je bestelling ga je akkoord met de algemene voorwaarden. Lees ook ons privacybeleid.
Het gesprek gaat in drie stukjes. Luister er een paar keer naar. De zinnen van Sam hoor je in een vrouwen- of een mannenstem: kies zelf.
Herr Hoffmann doet open. Hij begint, daarna praten jullie om de beurt.
Je sjouwt een doos de trap op en loopt bijna tegen Frau Brandt aan. Jij begint.
Je gaat de deur uit. Frau Brandt staat bij de brievenbussen. Zij begint.
Dit hoor je in het gesprek. Je hoeft het nog niet zelf te zeggen.
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Willkommen! | Welkom! |
| hier | hier |
| Kein Problem. | Geen probleem. |
| Ihre Nachbarin | uw buurvrouw. Dit soort woorden leer je in les 1.4. |
| Schönen Abend! | Fijne avond! |
Luister naar elke zin en zeg hem hardop na. Eerst de zinnen uit het gesprek, met Sie.
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Ja, guten Tag! Ich bin Sam. | Ja, goedemiddag! Ik ben Sam. |
| Danke, Herr Hoffmann! | Dank u, meneer Hoffmann! |
| Oh, Entschuldigung! | O, sorry! |
| Guten Tag! Ich heiße Sam. Wie heißen Sie? | Goedemiddag! Ik heet Sam. Hoe heet u? |
| Freut mich, Frau Brandt. | Aangenaam, mevrouw Brandt. |
| Wie geht es Ihnen? | Hoe gaat het met u? |
| Guten Abend, Frau Brandt! Gut, danke. Und Ihnen? | Goedenavond, mevrouw Brandt! Goed, dank u. En met u? |
| Danke! Auf Wiedersehen! | Dank u! Tot ziens! |
Zo begin je een gesprek met iemand tegen wie je du zegt, zoals een vriend of iemand op je taalcursus.
| Duits | Nederlands |
|---|---|
| Hallo! Ich heiße Sam. Wie heißt du? | Hoi! Ik heet Sam. Hoe heet jij? |
| Wie geht's? | Hoe gaat het? |
| Tschüs! | Doei! |
Denk aan het gesprek. Klopt het?
Typ de zin zelf. Daarna hoor je het voorbeeld en vergelijk je.